Column in Vara’s Vroege Vogels, 14 maart 2010
In het hoofd van James Cameron
Volgens sommigen is echte natuur het mooist, maar er is veel voor te zeggen om de beelden in ons brein een hogere status te geven. Natuur is betoverend, bizar, rijk aan verscheidenheid en vormen, maar wie fantasie heeft komt een heel eind verder . Onbestaanbare beesten, lichtgevende planten, schimmels als neurale netwerken: verbeeldingskracht kent geen grenzen.
Wij aardbewoners boffen maar als er af en toe zo’n visuele geest is die daar met een dikke pot Hollywoodcentjes een film van mag maken. Zo krijgen we in de film Avatar de kans om in het hoofd van regisseur James Cameron te kijken. Daar kolkt en kookt het.
In zijn film knutselen wetenschappers aan, in vruchtwater drijvende, look-alikes van de planeetbewoners van Pandora. Waarom? Om die bewoners, het volk van de Nav’i , te kunnen infiltreren. Waarom? Om ze de, onder hun kolossale woudrreus liggende en voor mensen zeer begeerlijke, klomp Unobtenium te ontfutselen. De Navi kennen elke plant en verontschuldigen zich als ze een dier moeten doden.
Op het eerste gezicht: een draak van een verhaal.
Science fiction met een ecologisch sausje. Met een verlamde marinier die zijn broer is kwijtgeraakt, een vreselijke bad guy en een liefde over de grens tussen mens en Nav’i heen. Per seconde of een flits daarvan dendert het allemaal voorbij. Een film zo vol beelden en symbolen dat menig recensent er beroerd van werd. Wie was ook al weer die Pandora? En het metaal Unobtenium: een flauw woordgrapje voor het ‘ onbereikbare’. Nav’i betekent in het hebreeuws ‘profeet.’
Ik heb toch genoten. De natuur in het hoofd van James Cameron is extra rijk en romig. Hij strooit met alle vondsten die de natuur zelf al te bieden heeft en voegt er nog wat aan toe. De zaadjes van de heilige boom zijn tere kwalletjes met een vorm die slechts enkele jaren geleden in de diepzee werd ontdekt. De bomen en lianen zijn door de 3D-technieken echter dan echt. Dino-achtigen denderen door het woud en domineren de lucht. Uiteindelijk winnen de good guys, onder anderen een aantal biologen. Eentje, die voortdurend ‘monsters’ wil nemen, legt het loodje. Onderzoek moet haar grenzen kennen.
Het fraaiste zijn de Nav’o zelf. Uiteraard aaibaar, een beetje bloterig maar toch een broekje aan. Net als wij, maar toch een beetje weird.
Ik heb met mijn zoon besproken wie er allemaal in ze schuil gaan. We kwamen uit op 4 organismen. Gibbon, indiaan, panter en een klein blauw mannetje. In de geest van Cameron hebben de Nav’i veel genen van een gibbon gekregen. Ze zijn zeer slank en rank, hebben een lange staart en zijn in staat om uit bomen te vallen zonder hun nek te breken.
Het karakter van de Pandora-bewoner is vooral indiaans. Een nobele inborst, trots, oorlogsstrepen zo nodig op het gezicht, onnavolgbaar met pijl en boog, sprekend met de voorouderen en vooral: in staat zich met de natuur te verbinden. Ze zweven min of meer door hun ecosysteem. Ik heb ze in de film niet op enige consumptie, laat staan van vlees, kunnen betrappen. Van de panter leende Cameron de spitsende oren, vlammende blik en een heftig gesis bij woede. Maar ook de smurf mocht meedoen. Van deze laatste plukte hij de blauwe, onwereldse kleur die nauwelijks in onze natuur voorkomt.
In het hoofd van Cameron wonen fraaie wezens. Door het geschiet en geknal werd het geen natuurfilm maar een Apocalypse Now in eco-verpakking. En hoe het afliep laat zich raden.
© Rolf Roos, 2010